Mijn collega
Allemaal moeten we wat bereiken in het leven. Rond de leeftijd van vijf spelen we met mechanische barbiepaarden. Of in het geval van een meisje: een Barbie. Als we ouder worden, verschuiven onze interesses. In er goed uit zien. Ronde borsten. Aantrekkelijk zijn. En wederom, voor een meisje: make-up. Futiele dingen. We geven om futiele dingen, maar dat is niet erg, want die kleinste dingen maken ons leven zinvol. We beginnen van beneden af aan. Dat maken we allemaal mee, zo ook ik. Ik vind het niet erg. Ik ben nog niet belangrijk, maar daar ben ik me van bewust. Toch stootte ik tegen het volgende.
Hij is mijn collega. Hij is vrolijk, hij lacht na alles wat hij zegt, hij zit zo vaak aan z’n haar dat het waarschijnlijk overeind blijft staan als hij de douche uitkomt. Maar er valt mee te leven en dus hoor ik sommige van zijn gedachtespinsels maar aan, wat ik er ook van vind. Ik wil de jongen namelijk niet nodeloos kwetsen, want om eerlijk te zijn doe ik dat al genoeg. We zitten in de trein, net als op menig andere geestdodende dag. Ik zit als een zombie te wachten tot we in Amersfoort zijn, hij werkt zijn vaste ritueel af.
,,Oi. Oe issut?”
Ik voel mezelf doodgaan. Ik haat mensen die aan me vragen hoe het met me gaat terwijl ze me twaalf uur geleden nog hebben gezien.
,,Goed,” zeg ik.
,,Zo, ik had gisteren een mailtje gekregen van iemand die ik mijn stuk ter inzage heb gegeven.”
Mijn stekels zetten op. Twee dingen verkeerd in deze zin: wie is iemand en waarom heb je je stuk in godsnaam ter inzage gegeven? Ik vraag het hem.
,,Zij is de voorzitter van de volleybalvereniging. Ik had haar m’n stuk ter inzage gegeven en had gezegd dat ze alléén feitelijke onjuistheden eruit mocht halen. Krijg ik dus een heel mailtje terug met allerlei aanpassingen.” Hij lacht, zoals hij dat zo goed kan. Hij vervolgt.
,,Dat is toch niet normaal? Waarom doen mensen dat?”
Goede vraag. Waarom doen mensen dat. Nu weet ik dat ik tijdens stage bij negen van de tien mensen de vraag kreeg of ik mijn stuk vooraf even wilde insturen. Mijn collega had dat minder. In het begin was ik er principieel sterk op tegen, maar tegelijkertijd zat ik in tweestrijd. Ik heb net die mensen gebeld, ze stonden me zo goed te woord en dan stuur ik mijn stuk niet op. Dus, artikel maar opgestuurd. De meest belachelijke dingen krijg je terug. Complete zinnen worden veranderd in zinnen die exact hetzelfde klinken, maar allemaal met een doel: commercie. Logisch, uiteraard. Naarmate de stage vorderde, werd ik simpeler. Ik ga toch verdomme mijn eigen artikel niet opsturen? zei ik tegen mezelf. Zoals iemand ooit eens wijselijk tegen me zei: een bakker vraag je ook vooraf geen stukje van zijn brood. Exact. Als ik dingen zou verzinnen, verpest ik mijn naam als journalist. Maar daar denken mensen dan niet aan.
Omdat ik dus al snel tijdens mijn stage ‘verhardde’, tintelde ik toen ik zijn vraag beantwoordde. Ik zag dat hij het moeilijk vond.
,,Je moet geen stukken insturen, daar krijg je alleen maar ellende mee. Nu zit jij met een stuk waar iemand anders aan heeft gezeten, zonder er werkelijk iets aan te veranderen. Maar jij zit je er ondertussen druk om te maken. Je moet daarmee nokken.”
,,Ja maar,” dekt hij zich in, ,,in sommige dingen had ze wel gelijk.”
,,Nou prima, dan verander je dat. De rest moet je laten zoals het is. Het is jouw artikel, niet dat van haar.”
Het wordt erger.
,,Ik heb enkele dingen overgenomen, maar ik ga haar nu echt niet meer terugmailen. Waar is dat goed voor? Ik stuur het wel meteen op naar de redactie.”
Oeps.
,,Nee kerel,” zeg ik. ,,Je moet daar boven staan. Het is alleen maar netjes als je haar een mailtje terugstuurt en haar vertelt dat je sommige dingen hebt overgenomen. Dan weet ze ook wat. Wie weet heb je haar later nog nodig, dan kan ze in ieder geval niet zeggen dat je nooit meer wat hebt teruggestuurd.”
Het lijkt alsof ik niet doordring. Ik zie dat ik hem aan het denken heb gezet. Later, als we op de redactie zijn, vraagt hij weer aan me of het zin heeft om een mailtje te sturen. Ik houd me een beetje afzijdig. Hij legt zijn kwestie voor aan de sportjournalist aldaar. Die zegt dat dingen ter inzage opsturen niet per se slecht is, je hoéft niet alle aanpassingen over te nemen. Allicht, zegt mijn collega. Maar, zegt de sportjournalist, het is goed als je die vrouw toch nog het verbeterde stuk opstuurt. Dan heeft ze het toch nog gezien.
,,Ja,” zegt hij. ,,Ik ga dat meteen even doen.”

Reacties op: Mijn collega