Allemaal moeten we wat bereiken in het leven. Rond de leeftijd van vijf spelen we met mechanische barbiepaarden. Of in het geval van een meisje: een Barbie. Als we ouder worden, verschuiven onze interesses. In er goed uit zien. Ronde borsten. Aantrekkelijk zijn. En wederom, voor een meisje: make-up. Futiele dingen. We geven om futiele dingen, maar dat is niet erg, want die kleinste dingen maken ons leven zinvol. We beginnen van beneden af aan. Dat maken we allemaal mee, zo ook ik. Ik vind het niet erg. Ik ben nog niet belangrijk, maar daar ben ik me van bewust. Toch stootte ik tegen het volgende.

Lees verder…

,,Ik doe je niks.” Dat zegt hij tegen me, dat is zijn slagzin, zijn ‘word-maar-niet-bang’-zin. Hij houdt me alsmaar strakker vast en wat ik doe of zeg, hij laat niet los. Telkens duwt hij zijn gezicht naar dat van mij. ,,Ik wil je zo graag zoenen,” zegt het tegen me. En ik wil dat jouw ballen in een pan met kokend water worden gegooid, maar dat kan nu ook niet.

In de trein liep hij al langs me, tijdens de stop in Utrecht. Ik zag hem kijken. Ik zat alleen en wanneer ik alleen zit, kijk ik een beetje boos. Dan gaan mensen niet naast me zitten. Toen we net bij Gouda waren geweest, zag ik hem opstaan en teruglopen. Mijn kant op. Hij keek me aan en ging naast me zitten. Hij bleef maar kijken, maar zei niks. Ik maakte de eerste zet. ,,Hoi.” Ik zeg het hard, zodat ik getuigen heb. Hij vraagt om m’n lippenbalsem, die hij daarna uitgebreid verkracht. Een jongen die een kaasreclame nadoet, die gewoon zit te faken hoe lekker de Maasland wel niet is. Ik walg ervan, maar we beginnen een gesprek. Ik heet Ava, met een a aan het begin en op z’n Engels uitgesproken: Eva. Ik heet altijd Ava als ik niet zeg dat ik Cathy heet. Of Sophie. Zo wil ik ook weleens heten. Hij heet Dion en hij zit op de theaterschool in Amsterdam.

Aha!

Theater, kijk aan. Vanaf dit moment weet ik zeker dat het om een grap gaat. Hij legt zijn hand op mijn been. Welke debiel zou dat doen als hij niet van een theaterschool komt? En wie leent er lippenbalsem van een ander? Hallo, bacteriën. Hij beweegt zijn hand alsmaar meer naar boven. Ik word ongemakkelijk, ik vind het niet leuk meer.

Dion vraagt waar ik uit moet stappen. Alexander, zeg ik. Dom, denk ik meteen. Ik had moeten zeggen dat ik naar centraal ga, als hij dan had gezegd dat hij dat ook moest, had ik geweten of hij loog. Allicht moet Dion er ook uit bij Alexander. Ik kijk Dion niet aan als we opstaan. Zodra we uit zijn gestapt, pakt Dion direct mijn hand. Welke handcreme ik gebruik. Ik háát het als mensen aan me zitten, aan me friemelen en alle aandacht opeisen. En Dion had er een handje van om precies te doen waar ik zo’n hekel aan heb. Dion wijkt niet van mijn zijde. Dion begrijpt alle overduidelijke hints niet. Dion duwt me uiteindelijk in een hoekje. Een hoek waar niemand ons ziet, want Dion weet precies wat hij doet.

Bluf is een enorm krachtig middel. Ik bluf vaak, ik ben er goed in. Maar nu was ik bang. Doodsbang. Ik word niet snel bang, maar deze keer wel. Dion hield me vast, hij wilde me zoenen, hij stond in mijn persoonlijke territorium en hij begreep niet waarom ik niet wilde. Dus er waren dat moment twee dingen die ik kon doen. Wachten tot er iets – of niets? – gebeurd of de gok wagen en toch maar bluffen. ,,Luister kerel. Ik ben ooit eens ontslagen bij de supermarkt omdat ik een kerel bij z’n ballen pakte en ze ronddraaide totdat hij letterlijk kotsmisselijk op de vloer viel. Laat me los, laat me nu los of ik zorg ervoor dat je pik niet meer hard wordt.”

Hij verzwakte zijn grip. Ik haatte hem. Ik wilde van zijn hoofd een collector’s item maken en het op een schaal leggen. Ik wilde weg, naar m’n fiets, naar huis en doen alsof er niks was gebeurd. Maar Dion. Dion huppelde vrolijk mee. De beveiliger van het winkelcentrum waar ik maar twee tellen moest zijn, had – hoe kan het ook anders – de deuren al gesloten. Dus we moesten helemaal omlopen. En Dion liep achter me aan naar de parkeergarage.

Dion gaat voor me staan op de roltrap. Hij wil me weer zoenen, maar ik draai m’n hoofd weg, zodat hij m’n kaaklijn kust. We staan in de parkeergarage als Dion aan me vraagt of we daar kunnen wachten op een ‘mattie’ van hem. ,,Wat denk je nou zelf, ik heb je niet zien sms’en of horen bellen, ik ga echt niet in een parkeergarage staan wachten met jou.” En ik loop nog harder naar de uitgang. Ik ben het zat.

Dion begrijpt het niet. De lippenbalsem waar Dion met zijn verkrachtingsgrage lippen aan zat, heb ik weggegooid. Mijn gezicht waar Dion me kuste heb ik geschrobt tot het dik was. Ik weet zeker dat Dion linea recta weer terug naar huis is gegaan toen het hem niet lukte mij zo achterlijk te krijgen hem te zoenen.

Dion deed in principe niks, omdat ik daarvoor heb gezorgd. Maar Dion deed wel wat. Hij deed wel wat.

Journalistieke ergernis nummer weet-ik-niet-meer-hoeveel.

Ik word er gek van. Ik ben de hele middag bezig geweest met iemand opzoeken van een basisschool waar een klein brandje was bij ons in de buurt. Moet mee, zou stom zijn als wij dat zouden laten liggen.

Ik bel dus de school, nu nog met mijn stomme kop denkend dat ik klaar ben over een minuut of vijf.
“Dag met Cathy. Ik bel naar aanleiding van de brand van vanmorgen. Mag ik alstublieft de directeur even?”
“Die is er niet.”
“O. Is er dan iemand anders die me iets over de brand kan vertellen?”
“Nee, daar heeft u echt hem voor nodig. Wat u wel kunt doen, is even het EVE bellen.”
“Het EVE?”
“Ja, u kunt het opzoeken op internet”

Nou dankjewel voor deze non-informatie. Ik ben dus de EVE maar gaan opzoeken. Typ maar eens ‘EVE’ in op Google. Toch gevonden. Niet sollen met een 19-jarige met moordneigingen.

“Goedemiddag, met [vul kotsnaam in]”
“Dag met Cathy, ik had zojuist gebeld met de school waar vanmorgen een brand was. Ik begrijp dat u de koepelorganisatie van de basisscholen in de regio bent? De school verwees me door naar u. Is er iemand die me iets kan vertellen over de brand?”
“Nee, de algemeen directeur is tegelijkertijd de woordvoerder en die is er vanmiddag niet.”
Weersta de verleiding Cath, zeg het niet.
Nee, shit.
“Uiteraard is hij dat. Kan ik dan iemand anders spreken?”
“Nee, sorry.”
“Toch bedankt, dan ga ik de school weer bellen.”
“Doet u dat. Dag.”
“Dag.”

De school teruggebeld. Doen of ik dom ben, tegen smekend aan vragen om informatie.
“Dag, u spreekt weer met Cathy van de krant. Ik heb zojuist met het EVE gebeld omdat iemand van deze school me daar naar verwees. Was u dat? Ah, mooi. Het zit dus zo. Niemand bij het EVE is bereid me te helpen en u kon me ook al geen informatie geven, dus wat moet ik nu doen? Ik zou niet weten waar ik mijn informatie vandaan haal.”
“Ja, ik begrijp uw dilemma, maar ik ben niet bevoegd om de pers te woord te staan.”
“Hoe komen de ouders op de school dan aan informatie?”
Ik word radeloos, deels nep, deels echt.
“Gaat u me nu vertellen dat de ouders van de kinderen die net op een school zaten waar brand is uitgebroken, hun informatie krijgen van een perswoordvoerder die er nu niet is?”
“Ja, ik weet alles tot in detail, maar wij hebben buiten ook alleen maar gezegd dat het om een brandje ging.”
Lekker is dat.
Ïk eindig dit gesprek nu, want ik heb andere taken. Dag.”
Donuts eten zeker.

Weer bellen met het EVE.
“Dag, nogmaals met Cathy. Ik heb zojuist weer met de school gebeld en ze willen daar echt geen informatie geven. Ik heb echt de woordvoerder nodig. Heeft u misschien een nummer?”
“Ja, maar die mag ik u niet verstrekken. U kunt wel het nummer krijgen van de school waar hij nu is.”
Op dit moment weet ik dat ik nooit meer verbaasd hoef te zijn.
“Okee. Dus ik kan de woordvoerder, de enige die me iets kan vertellen hierover, niet bereiken? Is dat niet een beetje vreemd?”
“Ja mevrouw, u kunt de school proberen, dag” en ze ramt de telefoon erop.

Dus ik wil een basisschool bellen om te vragen hoe de kindertjes zich voelen. De conciërge schijt in z’n broek want hemeltje lief, zijn functie is om niet met de pers te praten. Dan moet ik maar gaan praten met een woordvoerder die helemaal niet bij de brand aanwezig was en van niks afweet van de situatie op de school. Erger nog, is dat ik zijn nummer moest vragen aan een of ander gefrustreerd hormonaal figuur die me dat nummer helemaal niet geeft. En in plaats van hem direct te bellen, moet ik de school bellen waar hij wel aanwezig is.

Dus ik bel met de school waar de woordvoerder zich bevindt. Alsof god het doorheeft, krijg ik de beste man meteen aan de lijn en binnen een paar minuten had ik al mijn antwoorden.

Wat vreselijk om dit soort dingen, dit soort simpele dingen, via een omweg te moeten doen. Gesproken over kwaliteitsverlies. Het moet allemaal maar kloppen in de media en klopt het niet, dan ben je een vreselijke journalist en kun je niks en zijn je artikelen slecht en moet je maar struikelen over een duif. Hoe kan dat? Hoe durven die mensen? Vanwaar al die angst?

Ik heb wel tegen de woordvoerder gezegd dat de secretaresse me niet hielp.

Zo ben ik dan ook wel weer.

Het woordenboek omschrijft discussie als volgt: niet vaststaan van meningen, onderwerp van gedachtewisseling zijn.

Discussie bestaat volgens mij niet. Wel als jouw gesprekspartner sociaal op een lager niveau zit. Cru, maar waar. Als ik een klootzak die intelligenter is dan ik er toch uitlul, zal hij nooit toegeven dat ik gelijk heb. En dat is dan weer vervelend, want ik heb vaak gelijk. Mijn afweermechanisme komt meteen in gang als ik ook maar iets hoor dat me niet zint.
Lees verder…

Je hebt twee soorten mensen: verdrietige en boze mensen. En eigenlijk ook nog een beetje een mix van de twee. Als ik bijvoorbeeld boos ben, ben ik gemeen. Maar ik doe het slim; ik verbloem het op zo’n manier dat niemand merkt dat ik het echt meen. Ik maak grapjes, al dan niet over mezelf. Zelfspot is het toppunt van humor en het is een  moeilijke gave om te beheersen. Zo heb je van die personen die van zichzelf zeggen: ‘Ja, wat ben ik toch een domoor he, ha ha ha!’ Val maar op een treinspoor denk ik dan. Jij bent niet grappig, noch zou ik nepdoen om om je grap te lachen.

Je hebt boze mensen. Boze mensen zijn heel schuw. Boze mensen zijn de kern van deze samenleving, omdat ze de verdrietige mensen ondersteunen. Het onderdanige van de verdrietige persoon, onderdrukt het dominante van de boze persoon. Denk er maar over na, het is waar. Boze mensen zijn waar deze wereld op staat, waar de fundamenten op zijn gebouwd, waar de basis ligt. Boze mensen zijn hard, hebben daadkracht en zijn doortastend. Boze mensen zijn degenen waar op gezeken wordt, ieder vrij moment van de dag. Boze mensen zijn sterk. Maar boze mensen zijn de grootste softies hier op aarde. Diep in hun hart zijn ze positief, doen ze alles voor je, halen je op als je je ogen uit je kop huilt, houden je vast wanneer je het moeilijk hebt en nemen het voor je op als de ander dat niet kan.

Boze mensen zijn ondergewaardeerd, misschien alleen omdat ze zo boos zijn. Alleen daarom. Niemand ziet de mooie kant van een boos persoon. Niemand zou even nadenken en zeggen: goh, eigenlijk, eigenlijk is er niks mee. Of wel. Maar lullen en handelen zijn twee verschillende dingen.

Ik ben een boos persoon. Ik ben iemand waar je op kunt bouwen, die je ophaalt in de regen als je niemand anders kunt bellen. Ik ben iemand die smelt als er eens iemand anders is die precies doet wat ik altijd probeer te doen. Ik ben iemand die eigenlijk nooit boos word. Ik ben wel zo, ik bén zo, maar ik word het niet. Behalve die ene keer.

Ik word er zo moe van. Zo moe, dat ik er verdrietig van word.

Ik doe hard mijn best om groen te zijn. Het begon klein. We hadden namelijk al oplaadbare batterijen (en de apparaten om ze in op te laden die godsgruwelijk duur waren), en langzamerhand voerden we dat op naar ‘milieuvriendelijke’ auto’s die even duur zijn als Hummers. Maar dan ben je wel zuinig hoor!

Lees verder…